Bodemgesteldheid

Een nieuwe tuin (laten) aanleggen is altijd spannend. Zullen de mooie en soms prijzige struiken, hagen, bomen of planten aanslaan? Zullen ze het volgende jaar en de jaren daarop nog steeds groeien en bloeien? Hoe krijg ik dit voor elkaar?

Het geheim van een mooie tuin zit in de bodem.

Hoewel het eigenlijk heel logisch klinkt is dit waar de meeste tuinbezitters de fout in gaan. Voordat we beginnen met een tuinontwerp, kijken we eerst naar de bodemgesteldheid. Deze vormt letterlijk en figuurlijk de basis van de tuin. Je moet weten wat de kwaliteit van de grond is anders kun je simpelweg niet verder. De oorzaak voor uitgevallen of slecht groeiende beplanting is bijna altijd te herleiden naar een slechte bodemgesteldheid.

De eigenschappen van de bodem van je tuin worden bepaald door de grondsoort, de vochtconditie, de zuurgraad, de voedselrijkdom en het humusgehalte. Elke van deze factoren kunnen hun invloed hebben op de planten die er groeien.

Grondsoort

De grondsoort is één van de meest bepalende factoren voor de bodemgesteldheid en daarmee ook voor de groei van planten. Een grondsoort wordt benoemd aan de hand van de afmetingen van de gronddeeltjes waaruit hij bestaat. Zandgrond heeft de grofste korrel (0.05 tot 2 mm), leemgrond heeft een fijnere korrel ((0.002 tot 0.05 mm), kleigrond heeft de fijnste korrel, kleiner dan 0.002 mm.

Zandgrond

Zandgronden zijn lichte gronden, die regenwater snel laten doorsijpelen. Een zandgrond kan dan ook snel uitdrogen, zeker als de grondwaterstand laag is. Ook voedingsbestanddelen spoelen over het algemeen snel weg, en dit maakt van zandgronden arme gronden.
Een zandgrond kan je daarom verbeteren met Bentoniet, humus en compost om het vochtvasthoudende vermogen te vergroten. Een extra hoeveelheid organisch materiaal zorgt er immers voor dat de bodem niet alleen vocht, maar ook voedingsstoffen beter kan vasthouden. Laat zeker op zandgrond daarom zoveel mogelijk de strooisellaag onder bomen en struiken intact.

Zandgrond warmt in het voorjaar bij zon snel op maar koelt ‘s nachts vervolgens weer heel snel af. Hierdoor komt de groei van de gewassen in de lente vaak iets vroeger op gang dan op leem- en kleibodems, maar maakt dat ze vervolgens meer kwetsbaar zijn voor nachtvorst.

Leem- en kleigrond

Deze gronden houden water en voedingsstoffen veel beter vast dan zandgrond. Ze warmen minder snel op dan zandgronden, en drogen bijna nooit volledig uit. Ze zijn echter vaak zwaar om te bewerken. Bij deze gronden voegen we Basaltmeel en compost toe, dit zorgt voor meer structuur van de bodem.

Zandleemgrond

Deze grondsoort is op vlak van waterhuishouding en voedselrijkdom de meest evenwichtige. Landbouwers beschouwen deze gronden over het algemeen als zeer vruchtbaar, en ook voor sierteelt is de bodem zeer geschikt, omdat zowel de planten van de armere zandgrond als van de rijkere leemgronden er goed kunnen gedijen.

Zandgrond

De vochtconditie

Op basis van de vochtigheidsgraad onderscheiden we de volgende bodemsoorten.
Droge bodem:

Vind je op hellingen, vooral op het zuiden georiënteerd, grondstroken aan de voet van hoge bomen en in de regenschaduw van muren.
Frisse bodem:

Een lichte bodem, die echter nooit volledig uitdroogt. Het gaat dan bijvoorbeeld om zand- en zandleemgronden waarin een redelijk hoeveelheid humus aanwezig is, en die daardoor toch steeds iets vocht kan vasthouden, of diezelfde gronden op plaatsen met een relatief hoge grondwaterstand.
Vochtige bodem:

Een normaal vochthoudende bodem. De meeste goedbewerkte moestuingronden vallen in deze categorie. De grond bevat voldoende leem- en kleideeltjes, en voldoende organisch materiaal om vocht vast te houden.
Wisselnatte bodem:

Deze bodem vind je in natte weilanden, broekbossen. De grond is in de winter drassig, maar in de zomer goed betreedbaar.
Natte of drassige bodem:

Deze moerasgrond zal je in een tuin nauwelijks aantreffen, tenzij kunstmatig aangelegd in de buurt van een vijver.

De zuurgraad

De meeste tuingronden hebben een zuurgraad tussen 4,5 pH (zuur) en 7,5 pH (zwak basisch). De pH van zandgronden ligt over het algemeen iets meer naar de zure range, terwijl kalkhoudende bodems eerder basisch zijn.

Door middel van bekalken, of strooien van turf kun je de pH waarde beïnvloeden.

Het humusgehalte

Humus vormt een reservoir aan plantenvoedsel dat heel traag ter beschikking komt, en verbetert het vochtvasthoudende vermogen van de bodem. Laat in het najaar de bladeren bij voorkeur liggen in de border (niet op het gazon). Ze zorgen ook voor vorstbescherming en een plek voor dieren en insecten om te overwinteren. Je kunt, door de jaren heen, een te droge, te natte of te arme bodem verbeteren door elk jaar een compost toe te voegen in combinatie met Basaltmeel (kleigrond) of Bentoniet (zandgrond).

Een arme bodem kun je met mest verrijken. Gebruik hiervoor organische bemesting en liefst eigen compost die de belangrijkste bestanddelen bezitten voor de voeding die de planten nodig hebben.

Overmatig gebruik van meststoffen kan de planten schaden en vervuilt bodem en grondwater. Het gebruik van stikstofhoudende meststoffen is een bron van vervuiling door nitraten. Die verstikken de sloten en al het leven erin. Sommige chemische meststoffen bevatten ook cadmium, kwik en zink. Die zware metalen komen in de bodem en vervolgens in plant, mens en dier terecht. De neiging om naar synthetische meststoffen te grijpen en veel minder naar organische meststoffen en compost zorgt voor een verslechtering van de bodem en veroorzaakt daarmee groeiproblemen.

In een biologische tuin krijgen planten de kans om volwassen te worden in een bodem die zijn natuurlijke element heeft behouden, zowel voor wat betreft de bewerking van de grond, de planten en bemestingsmethoden, een plek waar mens en dier zich op hun gemak zullen voelen.

Zo kun je de aarde bewerken met organische mest of compost en kun je beter planten kiezen die passen bij de bodemgesteldheid van de tuin.

Linkpartner worden? Bekijk deze pagina voor meer informatie.



Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *